Het koninkrijk van God in onze tijd

In het begin van het Nieuwe Testament wordt gezegd: het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Dat sluit aan bij de oudtestamentische profetieën die beloven dat er een koning in Jeruzalem zal regeren over Israël en alle andere volken. Die gedachte spreekt ook uit de woorden van Jezus – al of niet in de vorm van gelijkenissen gesproken.

Profetie zonder vervulling?

Jezus zelf wordt gepresenteerd als de Koning in wie de profetieën omtrent de Messias in vervulling gaan. Als Johannes de Doper zich afvraagt of Jezus wel echt de Messias is, wijst Jezus op wat er gebeurt: “blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het ​evangelie. En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt.” Dat is precies wat volgens Jesaja 35:5,6 zal gebeuren, als Gods Verlosser komt.

Er lijkt een kink in de kabel gekomen te zijn, want Jezus is tijdens zijn leven geen koning geworden. En na zijn opstanding uit de doden heeft Hij ook niet als koning op aarde geregeerd. Hij ging naar de hemel. Hoe zit het nu met Gods Koninkrijk op aarde?

Verkeerd begrepen?

Jezus’ leerlingen hadden verwacht dat hij in plaats van te sterven zou  worden uitgeroepen tot Koning over Israël. Hun ontreddering toen dat niet gebeurde en Hij in zelfs stierf, kunnen we ons goed voorstellen. Maar nu Hij sterker blijkt dan de dood en opstond uit het graf, verwachten de discipelen, dat het beloofde Koninkrijk van God nu wel zal aanbreken. Die verwachting is nog versterkt, doordat Jezus 40 dagen de tijd nam om met zijn leerlingen over dat Koninkrijk te spreken en hen de Bijbelse geschriften te verklaren. Als Jezus zegt, dat zeer binnenkort de belofte van de Vader in vervulling zal gaan, denken ze dat Hij binnen afzienbare tijd Koning zal worden. Maar Hij zegt dan niet, dat ze hem verkeerd begrepen hadden.

Uitgesteld

Jezus zegt ook niet, dat Hij niet echt koning zal worden. Of dat God zijn Koninkrijk niet op aarde zal vestigen. Of dat de Messias niet zal komen om in Jeruzalem koning te zijn. Of dat de christenen Gods Koninkrijk maar dichterbij moeten brengen door te werken aan een betere aarde en te streven naar wereldvrede.
Dat zijn volgelingen zich zullen inspannen om goed te doen, spreekt wel voor zich. Maar dat betekent niet, dat er geen plaats meer is voor de verwachting die het Joodse volk eeuwen had gekoesterd. Jezus zegt alleen dat er binnenkort een andere belofte in vervulling zal gaan – de doop met de Heilige Geest.

Die andere grote belofte, over zijn koningschap, zal (veel?) later in vervulling gaan, op een tijdstip dat de Vader heeft vastgesteld, maar niet bekendgemaakt.

Leven in de tussentijd

Eigenlijk had Jezus al eerder laten doorschemeren, dat de geschiedenis zo’n dramatische wending zou nemen. In een gelijkenis vertelt Jezus over een heer die een wijngaard bezat. Hij stuurde zijn knechten om de opbrengst van de wijnbouwers in ontvangst te nemen, maar ze mishandelden, doden en stenigden hen. Uiteindelijk stuurde de heer zijn zoon, menend dat ze voor hem wel ontzag zouden hebben, maar ook, of juist hij werd gedood (Matteüs 21:33-40).
Wie herkent in de gelijkenis niet het bijbelverhaal: de heer beeldt God uit, Israël de wijngaard; de knechten staan voor de profeten en de zoon voor de Zoon van God.

Een andere gelijkenis, verteld toen Jezus’ leerlingen speculeerden over de komst van gods koninkrijk, gaat over iemand van hoge geboorte, die een verre reis onderneemt om het koningschap in ontvangst te nemen. De reis zal lang duren en tijdens zijn afwezigheid komen de burgers in opstand. Ze sturen hem een boodschap achterna: “We willen deze man niet als koning”. Maar voor hij vertrok, had hij zijn knechten opgedragen en de mogelijkheden gegeven om zijn bezit te beheren (Lucas 19:11-15). Je herkent het verhaal zo: Jezus, van hoge geboorte, is naar de hemel gegaan om het koningschap in ontvangst te nemen. In afwachting van zijn terugkeer leven zijn volgelingen in een vijandige wereld.

Verwachtend

Christenen leven dus in de verwachting van de komst van de Koning en zijn Koninkrijk. En wie Handelingen doorleest, ontdekt dat de apostelen voortdurend over dat Koninkrijk hebben gesproken. Een Koninkrijk dat er nog niet is, maar wel komt als de Koning terugkeert naar de aarde.

Ondertussen worden degenen die in Jezus geloven, aangeduid als burgers van een rijk in de hemelen. In hun leven zullen de waarden en de kracht van dat Koninkrijk zichtbaar worden. Ze zullen niet opvallen door te voldoen aan alle regels die bij een streng godsdienstig leven horen. Nee, het Koninkrijk zal zichtbaar worden in het werk van de Heilige Geest in de gelovigen. Hij zal hen innerlijk veranderen, zodat hun levens de kenmerken van het Koninkrijk dragen: vreugde, vrede en gerechtigheid, terwijl ze uit de hemel de Koning verwachten, die alles tot volheid zal brengen.