Gods verbond met Israël

In de serie “Grote lijnen in de Bijbel” besteden we een paar artikelen aan de verbonden die God met mensen sloot. In deze aflevering staat het verbond dat God met Israël sloot centraal.

Het verbond dat God met Abraham had gesloten was ook bestemd voor Abrahams nakomelingen. Zijn zoon Isaak en kleinzoon Jakob leefden in het beloofde land min of meer op dezelfde wijze met God als Abraham. Die manier van omgaan wordt door God prachtig onder woorden gebracht als de nakomelingen van Jakob op weg zijn naar datzelfde beloofde land (Exodus 19:4-6).

Een volk van slaven

Jakob en zijn gezin waren naar Egypte gegaan i.v.m. een hongersnood. Zijn zoon Jozef was daar onderkoning geworden. Hun verblijf in Egypte duurde iets tussen de 300 en 400 jaren – tussen de belofte aan Abraham en de wetgeving op Sinaï verliepen 430 jaren (Galaten 3:17). In die jaren is de familie uitgegroeid tot een heus volk, zo’n 600.000 man, vrouwen en kinderen niet meegerekend (Exodus 12:37-38). Zij hadden geen herinnering aan de manier waarop de aartsvaders met God omgingen. Farao had zijn best gedaan om ze te leren zich als Egyptenaren te gedragen. Het is dus wel logisch dat God het nodig vindt hen te herinneren aan het verbond dat Hij met hun voorvaderen had gesloten.

Een liefdesverklaring

Wat een prachtig plaatje schetst het boek Exodus: Het volk is tot vlak bij de berg Sinaï genaderd en heeft daar z’n tenten opgeslagen. Hoe zijn ze daar gekomen? “Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht.”
De Heer laat zien, dat ze hun bevrijding uit het slavenhuis niet danken aan hun eigen inspanning en volharding of aan de bekwaamheid van hun leiders Mozes en Aäron, maar alleen aan zijn liefdevolle zorg. Gods optreden is ook de vervulling van de belofte die Hij Abraham deed bij de verbondssluiting (Genesis 15:13,14) en hun jongste geschiedenis laat zien dat God betrouwbaar is en zijn beloften nakomt.
God heeft Zich aan zijn verbond gehouden en zijn vraag is: willen jullie dat verbond ook bewaren? “Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan mijn verbond houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken – want de hele aarde behoort mij toe. Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk” Let op: het gaat niet om een nieuw verbond, maar om het verbond dat er al was. Een verbond dat bestond uit een belofte van God en waarbij niet anders gevraagd werd dan Hem te vertrouwen, die vol liefde naar hen kijkt en zijn belofte nogmaals kenbaar maakt: je zult een koninkrijk van priesters zijn, je zult een heilig volk zijn.

Wij willen ook wat doen

Als de Israëlieten Gods vraag horen, zeggen ze: “Alles wat de Heer zegt zullen wij volbrengen” (Willibrord-vertaling). Dat klinkt heel mooi. Maar God had niet gesproken over iets wat zij zouden moeten doen. Hun reactie is dus eigenlijk een beetje vreemd. Zoiets als: die belofte staat ons wel aan, maar we willen er wel wat voor doen…..
God waardeert het, dat ze zo verlangend zijn iets voor Hem te doen, maar spreekt ook de hoop uit, dat zij altijd zo toegewijd zullen zijn. Hij kent hun harten …

Het resultaat is, dat er een aanvullend verbond komt. Het eerste wordt niet afgeschaft. Dat was een onvoorwaardelijk verbond dat niet ongedaan gemaakt kan worden. Maar vanaf dat moment komt er een bepaling, dat de Israëlieten iets moeten doen om Gods zegen te ervaren. Een “ander verbond” dan met hun voorouders was gesloten, zal Mozes later optekenen (Deuteronomium 5:3). En dat het een ander verbond is, blijkt al direct. Ze waren dicht bij God en hoorden zonder vrees zijn liefdesverklaring aan. Maar op ‘t moment dat God gaat spreken over wat zij moeten doen om zegen te verwerven, komt er vrees en ontstaat er afstand tot God (Deuteronomium 5:25). Het is de Israëlieten duidelijk, dat zij niet aan de eis van de wet voldoen. Toch vragen zij niet om toch maar bij het eerste verbond te blijven. Mozes moet maar met God blijven praten, maar zij blijven liever op veilige afstand van God om te proberen de wet te volbrengen.

Een voorwaardelijk verbond

Het verbond dat op de Sinaï gesloten werd tussen God en Israël verschilt hemelsbreed van het verbond dat de relatie van God met Abraham (en Isaak en Jakob) definieerde.
Het eerste was een onvoorwaardelijk verbond (God zegt: “Ik zal ..”), het tweede een voorwaardelijk (God zegt: “Indien jullie  …”). In het eerste staat Gods belofte centraal, in het tweede zijn gebod. Het eerste brengt alleen zegen, aan het tweede is ook een vloek verbonden (Deuteronomium 29:12). Het eerste was een eeuwig verbond, dat niet herroepen kon worden. Het tweede is een verbond dat verbroken (Leviticus 26:14-16) kan worden.

Dat roept best wel wat vragen op over de aard, het doel, de reikwijdte en de duur van het tweede verbond, de wet, terwijl er ook een spanning is in de verhouding tussen het verbond met Abraham en dat met Israël. Daarover zal een volgend artikel gaan.

Foto: Fragment uit de Dodezeerollen met de Tien Geboden

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.