God is Koning

De Bijbel is de bron van alle informatie die we over God hebben. We lezen het vaak als losse, op zichzelf staande verhalen, of aansprekende teksten. Niks is mee, maar laten we eens proberen de Bijbel te zien als een samenhangend geheel, als een voortschrijdend verhaal. In een vorig artikel heb ik aan de hand van 7 bijbelse personen één constante factor in het bijbelverhaal laten zien: God die bezig is zijn scheppingswerk af te maken en begint steeds bij één persoon. In dit artikel volg ik een andere constante in de Bijbel: het koninkrijk van God.

Gods plaatsbekleder

In het begin van de Bijbel wordt er niet over een koninkrijk gesproken. Maar dat wil niet zeggen, dat God daar niet aan dacht. Uit de woorden van Jezus is op te maken, dat God vanaf het begin van  plan is geweest om zijn Koninkrijk op aarde te vestigen. In de gelijkenis van de bokken en de schapen zegt de Mensenzoon, dat het koninkrijk al vanaf de schepping voor de mensen bestemd is (Matteüs 25:34). Maar wat zien we daarvan in Genesis 1?

Als de aarde is toebereid, maakt God de mens, aan wie Hij de heerschappij over de aarde toevertrouwt (Genesis 1:26). De begrippen koninkrijk en heerschappij horen in de Bijbel bij elkaar. Adam en Eva zijn Gods plaatsbekleder op aarde, die zij in Zijn naam zullen beheren. Door met God te wandelen, zouden ze daartoe in staat zijn.

Maar vanaf de zondeval stelden de mensen zich meer en meer autonoom en onafhankelijk van God op. Zelfs een tussentijds ingrijpen van God – de zondvloed! – gaf maar even soelaas. Je zou Noach kunnen zien als opvolger van Adam, maar toen de wereldbevolking toenam en er volken ontstonden, kwam de heerschappij bij de leiders van de volken, de koningen te liggen. Maar zij waren er niet op uit namens God de aarde te beheren. Zij streefden eigen grootheid na. En de gedachte aan een Koninkrijk van God leek uit het zicht verdwenen.

Op de troon van God

God heeft de gedachte aan Zijn Koninkrijk op aarde echter niet opgegeven. Bij de uittocht van Israël uit Egypte, de geboorte van de natie Israël, wordt er (voor het eerst) openlijk over gesproken. Na de doortocht door de Rode Zee roept Mozes God tot koning uit met de woorden: ‘De Heer is koning voor eeuwig en altijd!‘ (Exodus 15:18).

Israël had op den duur niet genoeg aan een koning die je niet kon zien. Zij riepen uiteindelijk om een mens als koning: “Benoem liever een koning om ons te besturen, zoals alle andere volken er een hebben” (1 Samuël 8:5-7). Maar God bleef trouw aan zijn volk. Na een kort intermezzo waarin ze een koning hadden die aan hun wensen leek te voldoen, gaf Hij de heerschappij over Israël en Juda aan David (2 Samuël 12:8). Een koning die koning onder God wilde zijn; een man naar Gods hart. Hij en zijn zonen na hem regeerden op de troon van de Heer (1 Koningen 29:23). God verbond daar een belofte aan voor een verre toekomst: een nakomeling van David voor eeuwig zou regeren – over Israël en alle andere volken (2 Samuël 7:19).

Koning en koninkrijk

Het Nieuwe Testament beschrijft de komst van de Messias, Gods koning. Want met de komst van Jezus was de oprichting van dat eeuwig koninkrijk heel dichtbij gekomen. Jezus heet tientallen keren over dat Koninkrijk gesproken. Maar het ongelofelijke gebeurde: de laatste zoon van David, de Zoon van God, vond maar weinig gehoor. Zelfs zijn volgelingen realiseerden zich nauwelijks, dat deze Jezus dezelfde was als de Heer in het Oude Testament. Als God werd Hij verworpen om koning te zijn, maar nu werd Hij ook als mens afgewezen (vgl. Lucas 19:12-14).

De belofte van God aan Israël was: de Messias zal vanuit Jeruzalem regeren over Israël en alle volken. Er zal vrede zijn en alle volken komen jaarlijks naar Jeruzalem om met Israël de feesten van de Heer te vieren. Die belofte is in de tijd van het Nieuwe Testament niet in vervulling gegaan. Maar ook niet herroepen.

De beloften aan Israël over de komst van de Messias, die met grote macht en heerlijkheid komt om de aarde vullen met gerechtigheid en vrede, blijven bestaan. Jezus vertelt in zijn “rede over de laatste dingen” dat die beloften vervuld zullen worden bij de komst van de Zoon des Mensen, zijn eigen “wederkomst” (Matteüs 24).

Koninklijk leven

In afwachting van de vervulling van Gods beloften is het Koninkrijk van God alleen zichtbaar voor hen die het zoeken en de moeite nemen naar “kleine” dingen te kijken. Niemand, Jood noch niet-Jood, hoort zomaar bij dat Koninkrijk. Je moet ervoor opnieuw geboren worden (Johannes 3:3-7). En gelukkig zijn er mensen die God en zijn Zoon als Koning in hun hart kennen. Mensen die Jezus als Verlosser aanvaarden, zowel uit de Joden als uit de niet-Joden. Zij zien met reikhalzend verlangen uit naar een beter vaderland (Hebreeën 11:16), dat uit de hemel zal neerdalen (Openbaring 21:2). Dat motiveert hen om in de tussentijd als een vooruitgeschoven missiepost van het Koninkrijk koninklijk te leven. Hun levensstijl toont iets van de kenmerken van het Vrederijk. Omdat ze door de heilige Geest getransformeerd worden, groeien er in hun levens vruchten als rechtvaardigheid, vrede en blijdschap (Romeinen 14:17), liefde, kracht en bezonnenheid (2 Timoteüs 1:7). En dat betere Vaderland? Dat komt! Zeker weten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.