Een levend offer

Als christen ben je een volgeling van Jezus. Maar wat betekent dat voor de praktijk van ons leven? Waaraan herken je elkaar, en herkennen anderen jou, als christen? Die vraag is al zo oud als de weg naar Rome.

Rome

In Rome was in de eerste eeuw al een gemeente ontstaan. Door Romeinse Joden die op bezoek in Israël tot geloof gekomen waren en het evangelie mee namen naar Italië? Door het werk van Petrus, zoals de overlevering ons vertelt? In elk geval hadden ook niet-Joden het evangelie van Jezus omarmd en zich bij de gemeente, de kerk, aangesloten. Paulus, de apostel der heiden, die de gemeenten onder de heidenen een vast fundament moest geven, kenden zij alleen van horen zeggen.

In een wereldstad als Rome vind je een bonte verscheidenheid aan culturen en religies. Al die groepen kwam je ook in de gemeente tegen: christenen uit de Joden, christenen uit de heidenen in hun eigen veelkleurigheid – ze kwam immers uit het gehele Romeinse Rijk:  Europa, Azië, Noord-Afrika. Ieder heeft eigen gewoonten en inzichten. Dat kan makkelijk tot problemen leiden. Natuurlijk zoek je dan naar wat God van ons vraagt. Maar die vraag ligt ingebed in een paar andere vragen, die bij  ons zoeken naar de weg ook meespelen: Hoe zien we elkaar, wat verwachten we van elkaar? Op die vragen wil Paulus ingaan. Nog voor hij Rome bezoekt, schrijft hij een brief.

De kern van het evangelie

In zijn brief aan de Romeinen begint Paulus direct met de kern van het evangelie: “Van Paulus, dienaar van Christus Jezus, geroepen tot apostel en uitgekozen om het evangelie van God te verkondigen, 2dat al bij monde van zijn profeten in de heilige geschriften is beloofd: 3het evangelie over zijn Zoon, een mens voortgekomen uit het nageslacht van David, 4aangewezen als Zoon van God en door de heilige Geest bekleed met macht toen Hij, Jezus Christus, onze Heer, opstond uit de dood.” (Romeinen1:1-4).  Dat is de kern van ons geloof en door dat geloof leven we (Romein 1:17), net als Abraham, de eerste persoon in de Bijbel van wie gezegd wordt, dat hij in God geloofde (Genesis 15:6; NBG).

Aan Abraham en zijn nakomelingen beloofde God een nieuwe wereld, die zich in alles onderscheidt van de huidige wereld. In Rome was die vol van bandeloosheid, gekonkel en nog meer trieste zaken. De oorzaak is de zonde in het hart van de mensen. Maar voor wie gelooft is de toekomst al begonnen. God heeft een nieuw begin gemaakt door Jezus Christus. Als je in Hem gelooft, leef je anders, denk je anders, ja ben je anders. Je bent een nieuwe schepping.

Een nieuw leven

Paulus roept ons op om ons leven te veranderen (Romeinen 12:1-2). We zijn allemaal gevormd door het leven en denken van de huidige tijd, de wereld waarin we geboren zijn. We hebben door het geloof in Jezus deel gekregen hebben aan het leven dat door zijn opstanding aan het licht gekomen is. Dat vraagt van ons een verandering van denken, een nieuwe gezindheid: U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God van u wil en wat goed, volmaakt en hem welgevallig is”” (Romeinen 12:2).

We zijn gauw geneigd om het leven als christen te beschrijven in dingen die je moet en dingen die je niet mag. Maar regels, hoe nodig ze ook zijn bij het opvoeden van kleine kinderen, kunnen ook leiden tot oppervlakkigheid en geestelijke onvolwassenheid: “Als ik me maar aan de regels houd”. Denk even terug aan Abraham. Toen hij door God geroepen werd, kreeg hij geen regels. Geloof, vertrouwen in God was voldoende. Het noopte hem om naar Gods stem te luisteren en Gods woorden te overdenken. Toen God later aan de Israëlieten voorstelde, dat Hij op dezelfde wijze met hen zou omgaan, zeiden ze: “Laat God maar zeggen, wat we moeten doen. Dan zullen we dat doen”. Later zou blijken, dat bij hun ijver om naar de regels te leven, hun harten voor God gesloten bleven …..

Een offer

Dat nieuwe leven wordt door Paulus beschreven als een offer. Niet een offer waarbij je iets van je bezit aan God afstaat. Je bent zelf een offer. Je stelt je beschikbaar, zodat God in je aan het werk kan gaan om dat nieuwe leven zichtbaar te maken. Je stelt je ten dienst van God. Daar was het God in het Oude Testament ook al om te doen. Hij wilde geen offers, maar liefde (Hosea 6:6 in veel vertalingen), of, in de woorden van Jezus: barmhartigheid (Matteüs 12:7). God verheugt zich als zijn kinderen in barmhartigheid met elkaar en anderen omgaan en het  goede voor de ander zoeken.

 

Foto door Matthias Zomer via Pexels

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.