De Messias

In twee eerdere artikelen hebben we stilgestaan bij twee grote verhaallijnen in de Bijbel – ze lopen van Genesis door tot Openbaring. De eerst lijn is: God gaat met mensen op weg naar een beloofd land. De tweede lijn is: God bereidt de aarde en de mensen voor op zijn koninkrijk. In dit artikel komt een derde lijn aan bod – noodzakelijk om de einddoelen van de beide ander lijnen te bereiken: de Messias. Het Hebreeuwse woord messias betekent letterlijk “de gezalfde”.

Zalving met olie

In de Joodse traditie worden allerlei dingen met olie gezalfd: de tabernakel en al haar toebehoren (Exodus 40:9-11). De bedoeling daarvan is om deze dingen te “heiligen” – deze voorwerpen mochten maar voor één doel gebruikt worden – de dienst en aanbidding van God.

De Bijbel kent ook het gebruik om mensen met olie te zalven. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het verhaal, dat Jezus op bezoek komt bij de Schriftgeleerde Simon, die zijn gast niet begroet met het gebruikelijke eerbetoon – het zalven van zijn hoofd (Lukas 7:44-46). Dat gebruikt was ook in het Oude Testament bekend: God nodigt ons aan zijn tafel en zalft onze hoofden met olie (Psalmen 23:5).

Een ander gebruik van zalfolie kennen we uit het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Hierin wordt olie (in combinatie met wijn) gebruikt als wondverzorging (Lukas 10:33-34).

En tenslotte had het in de jonge christengemeente een pastorale toepassing (Jacobus 5:19) die verband lijkt te hebben met de twee bovengenoemde gebruiken. De zieke die geen hoop meer heeft, ontvangt een teken dat hij/zij welkom is bij God, terwijl hij/zij ook niet alleen staat in zijn worsteling en moeite. De aanwezigheid van de oudsten symboliseert de verbondenheid met de hele gemeente. Samen staan zij in de worsteling van het leven in een gebroken wereld en tegen verleidingen.

De Messias

In het oude Israël werden ook mensen met olie gezalfd. Daarbij ging het over het aanstellen in een speciale functie: priesters werden gezalfd (Exodus 28:41), evenals de koning (1 Samuel 9:16). Het is mogelijk dat ook profeten gezalfd werden, getuige de opdracht aan Elia om Elisa tot profeet te zalven (1 Koningen 19:15-16). Maar omdat er bij de feitelijke aanstelling van Elisa niets over een letterlijke zalving wordt vermeld, is het denkbaar, dat het woord ‘zalven’ hier overdrachtelijk gebruikt wordt. De betekenis van de zalving is, dat de Geest van God mensen aanstelt voor een bepaalde taak en in staat stelt die taak te volvoeren.

Hoewel er dus meerdere “gezalfden” waren, heeft de naam Messias vooral betrekking op de gezalfde Koning. Niet eens zozeer op de koningen die in de loop der tijd over Israël geregeerd hebben, maar op een toekomstige Koning. Ze verwachten dat aan het eind der tijden Gods Koning komt om Israël van alle vijanden te bevrijden. Hij zal recht en vrede aarde brengen – niet alleen voor Israël, maar voor alle volken der aarde.

Een steeds herhaalde belofte

In de Bijbel blijkt de belofte van een toekomstige Verlosser steeds terug te keren. De eerste keer dat die belofte gegeven wordt is in Genesis, direct na de zondeval van Adam en Eva: het zaad van de vrouw (Genesis 3:15) zal de zonde uiteindelijk teniet doen. De mens is wel aangesteld als koning om de aarde te beheren en te onderhouden, maar wacht op de zoon die ooit geboren zal worden, die de aarde tot haar bestemming zal brengen.

Deze belofte wordt hernieuwd aan Abraham. Als hij zich zorgen maakt dat hij geen erfgenaam heeft, verzekert God hem: uw eigen zoon zal erfgenaam zijn van alle beloften (Genesis 17:15).

Uiteindelijk groeit Abrahams nageslacht uit tot een volk en de belofte wordt van vader op zoon doorgegeven. Abrahams kleinzoon Jacob wijst Juda aan als leider van Israël (Genesis 49:8), totdat “hij komt die er recht op heeft” (Genesis 49:10-NBV). Deze voor vertalers wat duistere zin lijkt te zeggen, dat de heerschappij van Juda uiteindelijk vervuld zal worden als er een koning opstaat, die door Israël erkend wordt en aan wie de andere volken zich onderwerpen.

De belofte aan Juda lijkt in vervulling te gaan als één van zijn nazaten koning van geheel Israël wordt: David. God belooft hem, dat de troon van David voor altijd vast zal staan (2 Samuel 7:16). David heeft daarbij niet alleen aan zichzelf of zijn troonopvolger, Salomo, gedacht. Hij begreep, dat deze belofte over een verre toekomst spreekt (2 Samuel 7:18-19). De profeten van Israël werken deze gedachte verder uit. De ‘grote’ en de ‘kleine’ profeten schrijven steeds weer over deze knecht van de Heer, deze grote Koning.

Het Nieuwe Testament

Als je met deze gedachten het Nieuwe Testament opslaat, moet er iets van herkenning zijn. Want het eerste hoofdstuk begint met: Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham. De lijn die in het begin nog vaag was – het zaad van de vrouw – en allengs duidelijker werd, wordt hier heel concreet. Hier is de zoon waar Eva naar uitkeek, de erfgenaam van Abraham, de zoon van David.

Tegelijk worden in het verhaal van Jezus Christus (Jezus Messias!) andere teksten duidelijk – zoals die waarin David zijn zoon aanspreekt als: mijn Heer. Zoals die waarin God zegt, dat Hij de enige Verlosser is. Want Jezus is mens en als zodanig de erfgenaam (=zoon) van David, Abraham en Adam, de “Mensenzoon” of “Zoon des mensen”, maar tegelijk is Hij veel meer dan dat: de eeuwige God.

Terwijl aan het begin van het Oude Testament gesproken werd over het “zaad van de vrouw”, eindigt het Nieuwe Testament met de nederlaag van de oude slang en de overwinning van de Grote Koning, die recht en vrede op aarde brengt en de eenheid tussen hemel en aarde weer herstelt.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.