Christenen en liefdadigheid

Eén van de dingen die een moslim voor zijn geloof moet doen, is aalmoezen geven. Moderner gezegd: liefdadigheid bewijzen. Dat is één van de 5 dingen die in het uiteindelijke oordeel ten gunste van iemand spreken. Het is als het ware één van de treden van de ladder naar God.

De christelijke kerk heeft zich de eeuwen door ingespannen om liefdadigheid te bewijzen. Armenzorg, weeshuizen, oudemannenhuizen, ziekenzorg, en tal van andere instellingen werden door de kerkelijke diaconie in het leven geroepen. Denk maar aan het Elisabeth Weeshuis in Culemborg.

Veel van die zorg is in de loop der eeuwen overgenomen door de wereldlijke overheid, waar natuurlijk niets mis mee is. Toch wordt er ook tegenwoordig nog geregeld een beroep gedaan op de kerkelijke diaconie. Daar collecteren we in de Ichthusgemeente dan ook voor.

Liefde

Christenen ondersteunen goede doelen niet om er zelf beter van te worden. De hemel hoeven we niet te verdienen. De hemel is opengegaan en God heeft overvloedig gegeven: hij gaf zijn eigen zoon om zondaren te verlossen.

Van Jezus wordt gezegd, dat hij rijk was, maar arm geworden is om ons rijk te maken. Uit liefde voor Jezus volgen christenen dit voorbeeld van liefdevolle overgave door zich in te zetten voor zwakke en kwetsbare medemensen.

Tienden

In het Oude Testament vroegen de dienst van God en de zorg voor de samenleving offers van de mensen. Er waren verplichte gaven zoals de tienden (10% van de opbrengst van het land) en de diverse offers met de daarbij behorende gaven. Maar er waren ook vrijwillige offers met bijbehorende gaven (in natura). Daarnaast waren er nog heffingen die door de koning opgelegd werden.

Er werd dus nogal wat van de mensen gevraagd. Omdat die mensen net als wij waren en veel goede en noodzakelijke dingen met hun geld wilden doen, beknibbelden ze op een kostenpost, waar geen mens hen op zou aanspreken: de tienden. Maar God maakte hun duidelijk, dat hun rekensom niet klopte. Als zij eerst het in hun eigen ogen onmogelijke en onredelijke zouden doen (10% aan Hem afstaan), zouden ze ontdekken ruimschoots voldoende over te houden voor hun eigen behoeften (Maleachi 3 : 10).

Wat is de achtergrond van het geven van tienden? De Israëlieten woonden in Gods land en omdat hij de oogsten overvloedig maakte  (vgl. Deuteronomium 28:1-10), had hij recht op de hele opbrengst! De Israëlieten gaven 10%, maar je zou ook kunnen zeggen: dat God hen 90% gaf om van te leven en er leuke dingen mee te doen. En omdat God is als een vader die het zijn kinderen aan niets laat ontbreken, kwamen ze nooit tekort.

Een voorschrift voor christenen?

Nu vragen sommige christenen zich af, of die oudtestamentische wet op de tienden ook voor ons geldt. In het algemeen kun je zeggen, dat de wet van God door bemiddeling van Mozes aan de Israëlieten is gegeven (Maleachi 4:4). De wet was niet van toepassing op de heidenen.

In de nieuwtestamentische tijd stonden de apostelen voor de vraag: moeten de instellingen van die wet ook voorgeschreven worden aan de christenen? Het antwoord dat zij ontvangen is, dat de morele wet, die de waarden en normen van God weergeven, algemeen van toepassing is, maar dat de rituelen en instellingen niet opgelegd moeten worden aan de christenen (Handelingen 15).

Maar al is er geen bijbelse verplichting voor christenen om 10% van hun inkomen af te staan aan de Heer, het Nieuwe Testament zegt wel iets over het geven van christenen!

We hebben aansprekende voorbeelden van mensen die weten wat geven is: de weduwe, die haar levens­onderhoud weggaf (Marcus 12: 41-44) en de Macedonische gelovigen, die méér deden dan zij menselijker­wijs konden (2 Korintiërs 8 :1-5). Zij treden duidelijk in de voetsporen van de Heer Jezus, die rijk was, maar alles overhad voor ons!

Het Nieuwe Testament roept ons op om vrijgevig en mededeelzaam te zijn (1 Timoteüs 6: 17, 18). Als we zo handelen, mogen we rekenen op Gods hulp, die in onze eerste levensbehoeften zal voorzien (2 Korintiërs 8: 13-15). Maar misschien hebben wij, door de tegenwoordige, materialistische denktrend, het juiste zicht wel verloren op wat onze eerste levensbehoeften zijn (1 Timoteüs 6: 8).

Hoeveel moet ik geven?

Het Nieuwe Testament beschouwt het als vanzelfsprekend dat we als christenen geld geven voor de kerk waarvan we deel uitmaken, omdat we ons daarvoor verantwoordelijk weten. Daarnaast geven we (al of niet via de kerk) aan goede doelen in bijvoorbeeld zending of hulpverlening. Al deze organisatie ontvangen geld, dat feitelijk aan de Heer gegeven wordt, ten behoeve van zijn werk. Het Nieuwe Testament noemt echter geen bedrag of percentage dat christenen moeten geven, maar er wordt iets gezegd over de gezindheid waaruit gegeven wordt.

Vrijwillig

Onze gaven worden offers genoemd, die aan God gebracht worden (Hebreeën 13 :16). De offers die in de Bijbel genoemd worden, kunnen verdeeld worden in verplichte offers en vrijwillige offers. Van de laatste groep wordt vermeld, dat ze zijn “tot een lieflijke reuk voor de Here” (vgl. Leviticus 2:9). Het zijn deze offers die model staan voor onze offers. Het zijn vrijwillige offers, waartoe niemand verplicht is.

Maar dat houdt niet in, dat men, als men ze brengt, vrij is om zelf te bepalen wat en hoe men offert! Het is de Heer, die bepaalt hoe de vrijwillige offers gebracht moeten worden (Leviticus 2:1-3) en wat als een vrijwillig offer voor Hem tot een lieflijke reuk is of niet (vgl. Leviticus 2:11,12). De grote en de bestemming van onze giften behoren dan ook niet bepaald te worden door de stroom van informatie, door al of niet brutale bedelbrieven en door acceptgirokaarten. In het persoonlijke gebed vragen we onze Heer ons duidelijk te maken wat zijn wil is met betrekking tot onze giften (vgl. 2 Korintiërs 9:7a).

Naar vermogen

De Bijbel geeft geen aanwijzingen over de grootte van het bedrag dat je geeft voor het werk van de Heer. Heel globaal wordt gezegd: als je geeft, doe het dan naar vermogen (1 Korintiërs 16:2). Wees niet krenterig. Als de genade overvloediger is dan de wet, zou het dan ook niet zo zijn bij de gaven die wij geven? In de apostolische tijd waren er zelfs, die boven vermogen gaven (2 Korintiërs 8:3). Maart ze ontdekten ook, dat hoewel de wet niet op hen van toepassing is, het principe van Maleachi 3:10 ook voor hen opgaat: wie karig zaait, zal karig oogsten (1 Korintiërs 9:6). Maar dat was nauwelijks belangrijk voor ze, want ze gaven niet om er zelf beter van te worden! Ze gaven overvloedig, omdat ze Christus nadeden, die zichzelf helemaal gegeven had zonder iets achter te houden!

Met blijdschap

Je kunt giften geven om je geweten gerust te stellen: nu heb ik tenminste mijn plicht tegenover de Heer weer gedaan. Of om in de gunst te komen bij mensen: als mijn voorganger weet dat ik trouw geef, zal hij me wel goed gezind zijn. Maar dat zijn bijbedoelingen, die de gave, hoe rijkelijk ook, waardeloos maken. De Bijbel zegt nadrukkelijk: God heeft de blijmoedige gever lief (2 Korintiërs .9:7b). De gift heeft waarde, als we ons er oprecht over verheugen, dat we deel kunnen hebben aan Gods werk (vgl. Filippenzen 1: 5 met 4: 16) en/of aan de noden van anderen tegemoet kunnen komen (2 Korintiërs 8:1-5). Niet de gave, maar de mildheid van ons hart is belangrijk!

Foto: Elisabeth Weeshuis in Culemborg