Belofte en wet – een spanningsveld?

In de serie “Grote lijnen in de Bijbel” besteden we een paar artikelen aan de verbonden die God met mensen sloot. In deze aflevering denken we na over een paar vragen die voortkomen uit de spanning tussen het onvoorwaardelijke verbond met Abraham en het voorwaardelijke verbond dat God met Israël sloot.

Want als het tweede verbond het eerste niet ongedaan kan maken, wat zegt dat dan over de aard, de reikwijdte, het doel en de duur van het tweede verbond, de wet?

De aard van de wet

De kern van de wet die God aan Israël gaf, bestaat uit tien geboden. Later worden die verder uitgewerkt in een uitgebreide regelgeving. Maar de kern daarvan wordt samengevat in 10 geboden. Op het eerste gezicht lijkt het dat God alleen eisen stelt aan het menselijke gedrag. Maar in zijn onderwijs wijst Jezus erop, dat je dieper moet kijken om de wet te begrijpen:Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is” (Matteüs 5:48). De wet laat dus in zekere zin zien hoe God is, wat bij Hem past en wat niet bij Hem past.

Wanneer je daar de samenvatting van de wet naast legt – “God liefhebben boven alles” en “de naaste als jezelf” (Matteüs 22:37-40) – begrijp je Gods bedoeling met de mens. Die zou als God moeten zijn: van harte liefhebbend en altijd in overeenstemming daarmee handelend. Zoals God!

God introduceert dus geen nieuwe principes – Hij was altijd al zo en had de mens ook naar zijn beeld geschapen: met het vermogen om lief te hebben en liefde te tonen. Hij zegt het er nu alleen expliciet bij.

De reikwijdte van de wet

De wet van God is niet aan alle mensen gegeven, maar alleen aan het volk van Israël. Dat blijkt al in de eerste woorden van de wet: “Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd” (Genesis 20:1,2). Eeuwen later schrijft Nehemia over “ het boek met de wet van Mozes, de wet die de Heer aan Israël had opgelegd”.

Daar sluit Paulus op aan, als hij aangeeft wat het Jood-zijn zo bijzonder maakt:  “In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd” (Romeinen 3:2). Maar van de heidenen (de niet-Joodse volken), zegt hij dat ze zijn “uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld” (Efeziërs 2:12).

Het is dus ook niet vreemd, dat de Joden hun wet niet  voorschreven aan niet-Joden – die moesten zich eerst maar laten inlijven bij het Joodse volk. De wet was – als leefregel – alleen gegeven aan Israël.

Het doel van de wet

Het naleven van de wet en de daaruit voortvloeiende verordeningen was voor veel Joden en zeker voor de Schriftgeleerden en farizeeërs het hoogste goed in het leven. Zij meenden zo rechtvaardig te worden voor God en het eeuwige leven te verdienen. Paulus, van huis uit een farizeeër, ontdekt dat uit de wet geen gerechtigheid voortkomt, dat de wet niemand levend maakt (Galaten 3:21). En zijn eigen ervaring leert hem, dat zijn inspanningen om zich aan Gods wet te houden, hem tot wanhoop drijven (Romeinen 7:18-20). Hij ontdekt door de wet, dat hij een gevangen is van de zonde en dat hij zichzelf niet kan bevrijden (Romeinen 7:23,254).

Uiteindelijk komt Paulus tot de conclusie, dat de wet een ander doel heeft, dan dat hij als farizeeër dacht. Het doel was om hem te leren, dat hij een Verlosser nodig heeft omdat hem de kracht ontbreekt om rechtvaardig te leven. De wet was als het ware voor de Israëlieten een opvoeder (andere vertalingen spreken over tuchtmeester, toezichthouder; leermeester; bewaker)  die hen verlangend wilde maken om in zekere zin op God te gaan lijken (Galaten 3:24). Tegelijk laat de wet zien, dat niemand dat door eigen inspanning kan bereiken – de wet leert ons onze  zonden kennen (Galaten 3:19). Toen Jezus kwam, was het moment aangebroken, dat er geen oppasser meer nodig was. Ze waren onmondig, kleine kinderen, maar met Jezus was de tijd gekomen om volwassen te worden en het langverwachte doel te bereiken – door geloof (Handelingen 13:39; Galaten 4:1-3)!

De duur van de wet

De wet vertegenwoordigt eeuwige waarden: het karakter van God. Maar als leefregel is de wet voorzien van  een uiterste-gebruik-datum. Als dat niet zo was, kon het eerder gesloten verbond met Abraham niet uitgevoerd worden. Want wet en belofte staan met elkaar op gespannen voet (Galaten 3:18). Maar de spanning wordt opgeheven doordat God in Christus te draad van de belofte weer oppakt! We zagen al dat de wet niet gegeven was om mensen rechtvaardig te maken, maar dat ze bedoeld was om bi de Israëlieten verlangen te wekken naar de Verlosser, de Messias. Toen die gekomen was en de wet vervulde (), betekende dat tegelijkertijd dat de wet als leefregel buiten werking is gesteld (Efeziërs 2:14-16). “Christus is het einde der wet” (Romeinen 10:4), zegt Paulus.

Natuurlijk roept dit vragen op over het praktische christenleven. Daar nog veel over te zeggen, maar dat valt buiten dit globale overzicht van de verbonden en de grote lijnen in de heilsgeschiedenis.

Foto: Jezus begon bij Mozes en bij al de profeten en legde uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had (Lukas 24:27)

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.